>>>
DAMOUR

In Damour hadden tot de burgeroorlog de Christenmilities - te weten de Falangisten en de Chamounisten - het voor het zeggen. Dit betekende, dat zij in staat waren zowel het militaire - als het burgerverkeer over de grote kustweg die door het dorp loopt te controleren. Daarmee hadden de Christenmilities in feite de controle over de aanvoer van de Palestijnse bases in het zuiden. Immers ook de Palestijnen moesten voor hun bevoorrading van deze weg gebruik maken.
Omgekeerd hadden de Palestijnen een soortgelijke sleutelpositie in Oost-Beiroet. Vanuit het kamp Quarantina konden zij voor de Falangisten de toegangsweg tot dit stadsdeel gedeeltelijk afsluiten.
In januari 1976 vielen de Falangisten het tactisch belangrijke Quarantina aan. Een paar honderd mensen, onder wie ook linkse Libanezen, kwamen bij deze aanval om het leven. Het merendeel van de voornamelijk houten huisjes ging in vlammen op. De bekendste foto, die van deze bloedige actie is genomen, staat op het omslag van het boek "Jours de misère", dat in praktisch alle winkels in Haris en elders te krijgen is.
De moedige en talentvolle Franse fotografe Francoise Demulder won met deze plaat de World Press Photo-Prijs 1976.
Uit wraak voor het feit, dat de Falangisten Quarantina hadden ingenomen, vielen de Palestijnen en linkse Moslim-organisaties vanuit het binnenland Damour aan. Dat het dodental hier aanzienlijk lager bleef was louter en alleen te danken aan het feit, dat de meerderheid van de bevolking tijdig was gevlucht.
De weinige overgeblevenen - ongeveer tachtig, onder wie kinderen - werden uitgemoord, waarna het dorp letterlijk werd gebrandschat. Alles wat kon branden werd in brand gestoken. Na januari 1976 was Damour dan ook een spookstad. De oorspronkelijke bevolking is er nooit teruggekeerd, die woont nu in Oost-Beiroet of in de bergen. De huidige bewoners zijn Palestijnen, die de gruwel van Tall Zaatar hebben overleefd. Zij zijn eerst eind 1976 - na de burgeroorlog - getrokken in de leegstaande huizen, die - macabere speling van het lot - eerder door hun broeders in ruines waren veranderd. De behuizing is er sindsdien niet beter op geworden. De vluchtelingen beschouwen hun verblijf hier als zeer tijdelijk en beperken zich dan ook tot wat provisorische reparaties van stukgeschoten vensters en deuren. Gedurende de zomer is dat wellicht afdoende, maar in de winter - die toch ook hier koud kan zijn - biedt dat nauwelijks enige bescherming. Daarnaast is Damour nog al eens doelwit van Israëlische acties, wat uiteraard ook zijn sporen heeft achtergelaten.