De situatie in Libanon kan misschien het best worden omschreven met de woorden 'anarchie en chaos'. In het dagelijkse leven is dat goed merkbaar. Vooral bij de openbare diensten als de stadsreiniging, de telefoondienst en het elektriciteitsbedrijf. Elektriciteit wordt door veel Libanezen afgetapt, illegaal. Dat gebeurt op een openlijke, maar ook levensgevaarlijke manier. Met de telefoon is dat hetzelfde. Overal zie je kabels en leidingen lopen, door de bevolking zelf provisorisch aangesloten. Niemand maakt zich hier druk over. De straten en wegen worden vaker niet dan wel schoongemaakt. Het vuilnis wordt meestal door de burgers zelf weggewerkt of ergens gedumpt. Dat gebeurt als de troep te erg wordt en de stank te doordringend. Natuurlijk valt de anarchie en chaos het meest op in de grote steden als Beiroet, waar zoveel mensen en partijen bij elkaar leven en elkaar bevechten.

De Libanese regering probeert haar gezag te herstellen, maar afgezien van incidentele succesjes, slaagt ze daar vooralsnog niet in. Toch is er in Beiroet een begin gemaakt. Er is namelijk een elitekorps politie opgeleid. Dit korps, getooid met rode baretten, poogt hardhandig en zwaar bewapend het gezag van de overheid in de hoofdstad te herstellen. Tevens is er een korps gemotoriseerde verkeerspolitie opgericht. Deze agenten werken met minder succes. Ze lopen namelijk de kans door geërgerde automobilisten te worden doodgeschoten en houden zich daarom veiligheidshalve meestal maar op de achtergrond.

De toestand in Libanon is ongelooflijk ingewikkeld. Deskundigen schatten het aantal partijen en partijtjes op minimaal 85 en maximaal 120. Een onoverzichtelijke wirwar van groepen die regelmatig met elkaar afspraken maken en elkaar vervolgens weer met de wapens in de hand bestrijden "Coalities wisselen snel in het door oorlogsgeweld geteisterde land. Iedereen is gewapend of heeft wapens in huis en de trekker is snel overgehaald. De belangrijkste groeperingen in Libanon zijn: het officiële Libanese leger en de politie, de maronitische christenen (tegen PLO en tegen Syrië), de verschillende Palestijnse groepen verenigd in de PLO, de overwegend islamitische linkse alliantie (NLM), de op Iran georiënteerde moslimbeweging AMAL (tegen alle buitenlandse en christelijke invloeden in Libanon), de Arabische afschrikkingsmacht (die vrijwel geheel uit Syriërs bestaat), en de door Israël gesteunde troepen van majoor Haddad in zuidelijk Libanon. Bij deze laatste troepen zijn regelmatig Israëlische militairen waar te nemen.

 

Naast deze hoofdrolspelers komen nog talrijke kleine tot miniscuul kleine groepjes voor, want zowel de moslims als de christenen zijn intern erg verdeeld. Het gaat in Libanon bovendien niet altijd om godsdienstige, sociale of politieke tegenstellingen.

Soms ligt aan een schietpartij iets heel anders ten grondslag. Een koopman kan bijvoorbeeld een militie vormen om zijn concurrent uitte schakelen. Hetgeen weer leidt tot represailles. Bloedige incidenten kunnen ook voortkomen uit verkeersbotsingen, burenruzies of familievetes. In Libanon heeft immers iedereen de fase van het vuistgevecht reeds lang gepasseerd. Van een woordenwisseling kan gemakkelijk een dodelijke schietpartij komen. Niemand kijkt er meer van op als iemand zijn meningsverschil beslecht met het neerknallen van de tegen stander. Dat maakt het allemaal extra ingewikkeld en onoverzichtelijk. De militairen van Unifil worden hiermee vooral geconfronteerd wanneer ze in Beiroet verblijven. Bijvoorbeeld tijdens een overnachting in het Rivièra Hotel, voorafgaand aan of volgend op een verlofreis naar Nederland. Bij de reis van dit hotel, dat in het moslimgedeelte van Beiroet ligt, naar het Nederlandse vak in het Unifil-gebied, passeren zij de roadblocks van een groot aantal partijen. In het Dutchbatt-gebied liggen de zaken, althans in verhouding tot de situatie in de hoofdstad, enigszins overzichtelijker. De Unifillers vormen namelijk een buffer tussen aan de ene kant Israël en de militie van Haddad en aan de andere kant de PLO, de NLM en AMAL. De laatste tijd raken aanhangers van de laatste groep evenwel regelmatig slaags met PLO/NLM-leden.

 

De voornaamste taak van Unifil is de vrede zo goed mogelijk te bewaren en het gezag van de Libanese overheid  te herstellen. Daarom werken de Blauwe Baretten samen met eenheden van het Libanese leger. Sinds april 1979 zijn enige pelotons Libanese militairen, nauw samenwerkend met Dutchbatt, actief in het Nederlandse gebied. De Libanese officieren zijn vertrouwde gasten in de Nederlandse officiersmess te Haris. Niet alle partijen zijn even gelukkig met dit optreden van het Libanese leger. Toen het Libanese contingent werd uitgebreid maakte de militie van majoor Haddad, zelf een gewezen officier van het Libanese leger, door beschietingen zijn afkeuring duidelijk. Toch kan de bijdrage van de Libanese soldaten aan het handhaven van vrede en rust voorhands niet meer dan een symbolische zijn. Voor meer zijn ze voorlopig te klein in aantal (augustus 1981: ruim 1000) en ontbreekt het hen aan gezag. Unifil is er tot nu toe in geslaagd uitbreiding van de oorlog in zuidelijk Libanon te voorkomen, maar heeft, zoals secretaris-generaal Kurt Waldheim van de Verenigde Naties heeft moeten toegeven, het gezag van de Libanese regering nog niet kunnen herstellen.In de praktijk blijkt dat ook, al was het maar uit kleine, alledaagse zaken, zoals de heffing van belastingen. De groepering die een bepaald gebied onder controle heeft, int in dat gebied de belastingen en gebruikt deze om de eigen uitgaven mee te financieren. Unifil of geen Unifil. Tot nu toe hebben de vredesmilitairen hun handen vol gehad aan één taak: het voorkomen van een verdere escalatie van het geweld in zuidelijk Libanon. Daartoe zijn ze, goed zichtbaar voor alle partijen, dag en nacht in de weer. De Nederlandse posten vormen, hoe goed bewapend ook, een soort schietschijf. Alles gaat openlijk, zoals het bij de uitvoering van een vredestaak hoort. Terugschieten is alleen toegestaan uit zelfverdediging en als waarschuwing in gevallen van zogenaamd 'close-firing'. Voor veel militairen is dat wellicht een leerzame, maar toch ongemakkelijke positie, die veel van hun incasseringsvermogen vergt.

Libanon: land van het witte gebergte, Zwitserland en strijdperk van het Midden-Oosten. Voortdurend oorlogsgeweld in een land dat nog geen derde deel van Nederland beslaat. Een langgerekt land aan de Middellandse Zee, met aan de zuidgrens Israël en voor de rest omgeven door Syrië. Een prachtig land. Vroeger een rijk land, dat tot de burgeroorlog van 1975 het handelscentrum van het Midden-Oosten was. Tot dat jaar een oase van rust in een roerig gebied. Een land waar veel toeristen kwamen. Het land heeft een smalle kuststrook van ruim 250 kilometer lengte, die gemiddeld vijf kilometer breed is. Die kuststrook gaat over in een bergketen. Daarachter ligt de 125 kilometer lange Bekaa-vallei. In deze vallei ontspringen twee voor Libanon belangrijke rivieren, de Orontos en de Litani. Dankzij het water hiervan kon het land tot de burgeroorlog van 1975 op grote schaal groente en fruit naar de andere Arabische landen en Europa uitvoeren. De oostkant van de vallei wordt begrensd door een bergpartij, het anti-Libanongebergte. In het zuiden loopt deze bergketen over in de berg Hermon. Ruim drie kilometer hoog met sneeuw op de top. Libanon telt naar schatting drie miljoen inwoners, waaronder ongeveer 500.000 Palestijnen. Door het voortdurende geweld zijn belangrijke sectoren van de economie, zoals de eens bloeiende toeristenindustrie, verlamd. De werkloosheid is dan ook groot. Naar schatting een derde van de bevolking heeft geen werk.

Van het toeristenparadijs, dat Libanon eens was, is weinig meer over. Beiroet, voor de burgeroorlog de belangrijkste handelsstad in de regio, draagt nu alle kenmerken van een stad in de frontlinie. Libanon is thans een verscheurd gebied, waar iedereen tot de tanden bewapend is. Waar christenen en moslims om de macht strijden. Waar een Arabische vredesmacht van voornamelijk Syriërs ïn Beiroet en het midden van het land de orde en rust tracht te handhaven. Waar de Palestijnse bevrijdingsorganisatie PLO zijn bases heeft en van daaruit infiltraties in Israël poogt uit te voeren. Waar een VN-vredesmacht in het zuiden een buffer vormt tussen de Palestijnse groeperingen, de strijdkrachten van majoor Haddad en de Israëli's.

Voor de burgeroorlog van 1975 waren de tegenstellingen tussen de verschillende groepen in het land voor buitenstaanders al moeilijk te begrijpen. Na het uitbreken ervan, in april 1975, is de ingewikkeldheid alleen nog maar toegenomen. De burgeroorlog is vooral een machtsstrijd tussen de traditionele religieus-etnische leiders, maar evens een gevecht tussen arm m rijk. Het was een strijd tussen christenen en moslims, tussen Libanese nationalisten m voorstanders van een groot Arabisch rijk. De aanwezigheid van de Palestijnen maakte de situatie nog ingewikkelder, begin 1975 was de spanning in het land te snijden. Op zondag 3 april raakten Palestijnse militairen die terugkwamen van een herdenking van een aanval op de Israëlische grensplaats Qiryat Shemona verzeild in een vijandige menigte in een van de christelijke wijken van Beiroet. Een bloedbad volgde. Gewapende Falangisten doodden 27 Palestijnen. De gevechten escaleerden tot een burgeroorlog. Beiroet werd het toneel van hevige gevechten tussen de Palestijnen en hun links-Libanese, in hoofdzaak moslim-bondgenoten aan de ene kant en de christelijke nationalistische milities aan de andere kant. In maronitische kring weerklonken weldra geluiden die pleitten voor de opdeling van het land in een christelijk en een mohammedaans gebied. Dit laatste verontrustte Syrië, dat bang was voor een Israëlische gebiedsuitbreiding. Syrië steunde daarom aanvankelijk de moslims en Palestijnen. Steeds dieper raakte dit land bij de Libanese problemen betrokken.

Met het keren van het tij ten gunste van de moslims en de Palestijnen bekoelden de relaties tussen hen en Syrië. In mei 1976 rolden Syrische tanks zelfs het noorden van Libanon binnen om de druk op belegerde christelijke nederzettingen te verlichten. De Arabische staten, die de Syrische aanwezigheid argwanend bekeken, besloten op 9 juni 1976 een Arabische vredesmacht -officieel Arabische afschrikkingsmacht geheten op de been te brengen. De Syrische militairen zouden hier een hoofdbestanddeel van vormen.
Deze Arabische vredesmacht kreeg onder meer tot taak de verschillende partijen te ontwapenen. Een jaar van betrekkelijke rust volgde. De poging om de strijdenden te ontwapenen en de binnenlandse rust te herstellen mislukte evenwel. Daarvoor was het onderlinge wantrouwen, zowel tussen de verschillende partijen in Libanon als binnen de Arabische Liga, te groot. Intussen poogde Israël, gebruikmakend van de burgeroorlog, in het zuiden van het land een veiligheidszone van enige kilometers diepte te vormen, waarin de Palestijnen niet langer zouden kunnen opereren. Daarom voorzag Israël de christelijke milities in het gebied van geld en wapens en poogde het de bevolking aan zich te binden door het voeren van een 'good-will'-politiek.

Evenals Syrië raakte dit land steeds meer bij de vijandelijkheden betrokken. De christenmilities rekenden in toenemende mate op de steun van de zuiderbuur en begonnen de wapens zelfs op te nemen tegen Syrië, dat ze ervan verdachten hun traditionele machtspositie te ondermijnen. Langzamerhand was Libanon niet alleen voor zijn inwoners een onleefbaar land geworden, maar tevens een bedreiging voor de wereldvrede. De betrokkenheid van Israël en Syrië bij de interne geschillen maakte de kans op het overslaan van de gevechten op de hele regio groot. Israël maakte Syrië duidelijk de inzet van Syrische militairen ten zuiden van de rivier de Litani niet te kunnen dulden en in een dergelijk optreden een aanleiding tot oorlog te zien. De Syriërs waren zich van de ernst van dit dreigement bewust. Ze staken de rivier niet over. Dit laatste bood de Palestijnen en hun links-Libanese bondgenoten gelegenheid in dit gebied opleidingskampen in te richten. Van hier uit werden de acties tegen Israël ondernomen. Reeds voor de burgeroorlog, met name nadat de Jordaanse koning Hoessein in september 1970 de Palestijnen uit zijn rijk had gegooid, was Libanon de belangrijkste basis voor de Palestijnse organisaties geworden.

De strijdmacht van majoor Haddad, die zich van het officiële Libanese leger had afgescheiden, kreeg het in het voorjaar van 1978 zwaarte verduren onder de aanvallen van de Palestijnen. Tegelijkertijd wilde de PLO haar verzet tegen de toenadering tussen Egypte en Israël niet bij woorden alleen laten. Na de komst van de Egyptische president Sadat naar het Israëlische parlement in november 1977 waren tussen beide landen vredesonderhandelingen geopend, die kans op een vredesregeling boden. De PLO voerde het aantal aanvallen op de Joodse staat op. Bij een van die aanvallen werd op 11 maart 1978 een Israëlische bus overvallen, waarbij 34 Israëliërs het leven verloren. Als reactie daarop viel Israël drie dagen later Libanon binnen en bezette het zuiden tot aan de rivier de Litani. Slechts enkele gebieden, waaronder de stad Tyr en omgeving, bleven in handen van de PLO.

Hierop besloten de Verenigde Naties een vredesmacht voor Libanon te stichten. De bedreiging van de wereldvrede was te groot geworden. Resolutie 425 van de Veiligheidsraad van 19 maart 1978 somt de taken van het vredesleger, dat United Nations Interim Force in Libanon gedoopt werd, op. Unifil moest de terugtocht van het Israëlische leger regelen, de vrede en veiligheid herstellen en de Libanese regering helpen haar gezag in Zuid-Libanon te herwinnen.

De eerste Israëlische troepen trokken zich op 11 april terug. Op 13 juni was de terugtocht voltooid, met dien verstande dat de Israëlische militairen de strook langs de grens overdroegen aan de milities van majoor Saad Haddad, die inmiddels zijn gebied heeft uitgeroepen tot de vrije Libanese Republieken die gesteund wordt door Israël. Sindsdien hebben de Unifil-militairen hun handen meer dan vol gehad aan het bewaren van de vrede en rust in Zuid-Libanon. Van herstel van het effectieve gezag van de Libanese regering is nog niet veel gekomen. De Blauwe Baretten op 1 augustus 1981: Nederlanders, leren, Fiji's, Ghanezen, Senegalezen, Nepalezen, Nigerianen en Noren, gesteund door Zweedse artsen, Italiaanse helikopterpiloten en Franse logistiekdeskundigen pogen nog dagelijks de partijen uit elkaar te houden.

RESOLUTION 425 (1978)
Adopted by the Security Council at its 2074th meeting on 19 March 1978,
The Security Council,
Taking note of the letters from the Permanent Representative of Lebanon and from the Permanent Representative of Israel, Having heard the statement of the Permanent Representatives of Lebanon and Israel, Gravely concerned at the deterioration of the situation in the Middle East and its consequences to the maintenance of international peace, Convinced that the present situation impedes the achievement of a just peace in the Middle East,
1. Calls for strict respect for the territorial integrity, sovereignty and political independence of Lebanon within its internationally recognized boundaries;
2. Calls upon Israel immediately to cease its military action against Lebanese territorial integrity and withdraw forthwith its forces from all Lebanese territory;
3. Decides, in the light of the request of the Government of Lebanon, to establish immediately under its authority a United Nations interim force for Southern Lebanon for the purpose of confirming the withdrawal of Israeli forces, restoring international peace and security and assisting the Government of Lebanon in ensuring the return of its effective authority in the area, the Force to be composed of personnel drawn from Member States;
4. Requests the Secretary-General to report to the Council within twenty-four hours on the implementation of the present resolution.

RESOLUTION 426 (1978)

Adopted by the Security Council at its 2075th meeting on 19 March 1978,

The Security Council,

Approves the report of the Secretary-General on the implementation of Security Council resolution 425 (1978), contained in document S/12611 of 19 March 1978,

2. Decides that the United Nations Interim Force in Lebanon shall be established in accordance with the above-mentioned report for an initial period of six months, and that it shall continue in operation thereafter if required, provided the Security Council so decides.